door Ulrika Klomp, Elise Prins en Lauri Sanders

0. Praktische informatie voor taalonderzoek


Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transfer
Een kind dat is opgegroeid met NGT zal bij het leren van het Nederlands de volgende problemen kunnen tegenkomen:
- Het weglaten van lidwoorden (die bestaan niet in NGT)
- Een verkeerde woordvolgorde aanhouden (SOV in de hoofdzinnen i.p.v. SVO)
- Geen tijd markeren op het werkwoord, tijdselement enkel toevoegen door een los woord in de zin te plaatsen ('gisteren')
- Meervouden (deze worden in NGT gevormd door reduplicatie of incorporatie)

Mogelijke vragen met betrekking tot specifieke TOS-elementen
Officieel kan met de exclusiecriteria van TOS een doof of slechthorend kind geen TOS hebben. Heeft het kind toch problemen in NGT? Dan kan er sprake zijn van een specifieke gebarenstoornis. Problemen in het gesproken Nederlands worden door deze exclusiecriteria toegeschreven aan het feit dat een kind slechthorend is; niet dat er iets mis kan zijn met zijn taalsysteem.
Horende kinderen die zijn opgegroeid met NGT (bijv. broertjes/zusjes of horende kinderen van dove ouders) kunnen wel een TOS hebben. In dit geval zijn er dus problemen in het gesproken Nederlands en in NGT, in beide modaliteiten.
Veel onderzoek over kinderen met TOS die NGT gebruiken is er nog niet. Tot nu toe lijkt het erop dat veel algemene TOS-elementen uit het gesproken Nederlands ook present zijn in de gebarentaal. Om in ieder geval problemen in NGT te ontdekken kunnen de volgende vragen gesteld worden aan de ouders/tolk:
- Maakt het kind vaak fouten in gebaarplaats, handvorm, oriëntatie, beweging van het gebaar en de mimiek?
- Maakt het kind vaak fouten in grammaticale markeerders (classifiers, hulpwerkwoorden)
- Heeft het kind gebaarvindingsproblemen en/of een kleine woordenschat?
- Heeft het kind een onduidelijke (slordige) 'articulatie' van de gebaren?

1. Algemene informatie


In Nederland wordt de Nederlandse Gebarentaal gebruikt (afgekort NGT). Alle gebarentalen zijn zelfstandige talen, die op een natuurlijke manier ontstaan zijn. Een gebarentaal is daarom geen vertaling van een gesproken taal. NGT is dus ook geen vertaling van het Nederlands maar heeft een eigen grammatica, eigen spreekwoorden en eigen taalgrapjes. Dit is overigens ook de reden dat gebarentaal niet internationaal is: in elke dovengemeenschap heeft zich een andere gebarentaal ontwikkeld.

Een belangrijk punt om aan te stippen is het verschil tussen NGT en NmG (Nederlands met Gebaren). Zoals gezegd is NGT een echte taal met een eigen grammatica. NmG is echter een soort mengeling van het Nederland en NGT: men spreekt (of articuleert) Nederlandse zinnen waarbij in meer of mindere mate gebaren worden gebruikt ter ondersteuning. Meestal wordt de Nederlandse zinsvolgorde hierbij aangehouden. Omdat NmG geen echte taal is, zal er op deze pagina verder geen aandacht aan worden besteed.

Hoewel wordt aangenomen dat gebarentalen al bestaan sinds er doven zijn (Schermer & Pfau 2008), is er weinig bekend over de ontstaansgeschiedenis van de hedendaagse gebarentalen. Het onderzoek naar taalfamilies in gebarentalen is bovendien nog niet zo uitgebreid. Wel wordt er aangenomen dat de Franse Gebarentaal een belangrijke invloed heeft gehad op verschillende Europese gebarentalen en op de Amerikaanse Gebarentaal. De oorzaak hiervan is dat in Parijs rond 1760 de eerste dovenschool werd opgericht door Charles-Michel de l'Epée, waar hij zelfbedachte gebaren gebruikte, die vervolgens door mensen zijn meegenomen naar andere landen en de basis vormden voor gebaren op nieuwe dovenscholen. In Nederland is dit gedaan door Henri Daniël Guyot (Fortgens 1991). Sindsdien heeft de NGT zich verder ontwikkeld en kreeg elke dovenschool in Nederland een eigen lexicale variatie ('dialecten'). Groningse doven telden anders dan doven uit Voorburg; doven uit Michielsgestel gebruikten andere gebaren dan doven uit Amsterdam. Om aan te vragen dat NGT als erkende taal erkend zou worden, moest er eerst standaardisatie gaan plaatsvinden van de overheid. Er werd een standaardlexicon ontwikkeld; al zijn nog steeds geringe regionale verschillen merkbaar. De taal is tot op de dag van vandaag helaas nog niet erkend als taal, tot teleurstelling van vele doven.

Er wordt geschat dat er momenteel rond de 17.000 gebruikers van NGT zijn (inclusief horende mensen, Commissie Nederlandse Gebarentaal 1997 in: Crasborn 2001). NGT is allereerst de taal van veel mensen die sinds geboorte of jonge leeftijd doof zijn. Ook hun familieleden leren vaak NGT. Mensen die op latere leeftijd doof worden, zeer plotseling doof worden of ernstig slechthorend zijn, leren meestal op latere leeftijd NGT of NmG. Verder horen horende kinderen van dove ouders meestal ook bij de groep 'moedertaalgebaarders'.

Deze pagina is niet alleen bedoeld om informatie te verstrekken over NGT, maar ook om een vergelijking te maken tussen NGT en het Nederlands zodat door professionals gekeken kan worden of afwijkende taaluitingen in het Nederlands wellicht een gevolg kunnen zijn van NGT als moedertaal. Een doof of slechthorend kind kan om meerdere redenen afwijkende taalpatronen vertonen: door de gehoorbeperking, door het hebben van een andere moedertaal en/of door een taalstoornis. Horende kinderen van dove ouders kunnen ook te maken hebben met een taalachterstand in het Nederlands door het hebben van een andere moedertaal. Voor deze twee groepen kan deze pagina nuttig zijn, mits in gedachte wordt gehouden dat de oorzaak van eventuele taalafwijkingen op verschillende vlakken kan liggen.

Gebaren zullen worden aangegeven in hoofdletters zodat duidelijk is dat het om een soort vertaling van dat gebaar gaat, en niet om een Nederlands woord. Verder zijn er plaatjes opgenomen om sommige gebaren weer te geven, maar de meeste genoemde gebaren zijn ook te vinden in het online gebarenwoordenboek . Tot slot lijkt de term 'fonologie' wellicht ongeschikt als men spreekt over gebarentalen, toch is dit de term die binnen de gebarentaalwetenschap wordt gebruikt.


2. Taalspecifieke informatie


Fonologie

Door het verschil in modaliteit is het onmogelijk om fonologische transfer vanuit NGT naar het Nederlands te laten plaatsvinden. Voor de hele tekst is het echter handig om onderstaande uitleg wel te lezen, daarnaast geeft het een vollediger beeld van beschikbare informatie over NGT.

Zoals woorden bestaan uit klanken, bestaan ook gebaren uit basiselementen. Kort gezegd betekent dit dat een gebaar niet gemaakt kan worden als één van deze elementen ontbreekt. Als een element ontbreekt of verkeerd wordt toegepast, is het gebaar een taalfout. De basiselementen van gebaren zijn de volgende (van der Kooij & Crasborn 2008):
1. Handvorm
2. Locatie
3. Beweging
4. Oriëntatie
5. Non-manuele markeerder

De handvorm, locatie en beweging worden de fonemen van een gebaar genoemd. Sommige academici zien de oriëntatie van een gebaar en de non-manuele markeerder ook als fonemen (Brentari, 2002).

Handvorm

De handvorm van een gebaar bepaalt een aantal aspecten: welke vingers spelen een rol? Zijn die vingers gebogen, gesloten, gestrekt? Als ze zijn gebogen, zijn ze dat helemaal of alleen het topje? Maken sommige vingers contact met elkaar of met de handpalm?
Binnen NGT wordt onderscheid gemaakt tussen gemarkeerde en ongemarkeerde handgebaren. Vier handgebaren zij geclassificeerd als ongemarkeerd (zie 3. Taalverwerving).

Afbeelding 1: vier handgebaren die binnen NGT geclassificeerd zijn als ongemarkeerd.
(© Nederlands Gebarencentrum)
Ongemarkeerde handgebaren NGT.jpg
Binnen NGT spreekt men ook over minimale paren. Een voorbeeld hiervan is gegeven in de afbeelding hieronder met de gebaren Ook en Broer. Deze gebaren hebben dezelfde locatie, beweging en oriëntatie maar verschillen in handvorm. Hierdoor krijgt het gebaar een andere betekenis.


Afbeelding 2: OOK ; afbeelding 3: BROER
(© Nederlands Gebarencentrum)

OOK_VanDale.jpgBROER_VanDale.jpg


Locatie
De plaats waar een gebaar gemaakt wordt, kan ook betekenisonderscheidend zijn. Grofweg kunnen locaties van gebaren in vier groepen worden ingedeeld: op en rond het hoofd, op het bovenlichaam, in de neutrale ruimte (de ruimte vóór de gebaarder ter hoogte van het het torso) en op de niet-dominante hand. Soms is er sprake van meerdere locaties, omdat de beweging in het gebaar ervoor zorgt dat de hand(en) zich verplaatst (verplaatsen). Het is gebleken dat deze locaties zich dan wel (vrijwel) altijd binnen dezelfde locatiegroep bevinden (van der Kooij 2002).

Beweging
Als de beweging in het gebaar inderdaad zorgt voor verplaatsing, wordt dit een padbeweging genoemd (van der Kooij & Crasborn 2008). Een voorbeeld van een gebaar met padbeweging is het gebaar hieronder:

Afbeelding 4: MEE
(© Nederlands Gebarencentrum)
MEE_VanDale.jpg
In het gebaar MEE beweegt de hand zich, binnen de neutrale ruimte, van de zijkant naar binnen toe.

Soms beweegt niet de hele hand, maar alleen de vingers of de pols. Dit zijn handinterne bewegingen of oriëntatieveranderingen (zie ook hieronder 'oriëntatie'). In het gebaar MAN is sprake van een handinterne beweging, de hand is eerst open maar eindigt gesloten:

Afbeelding 5: MAN
(© Nederlands Gebarencentrum)

MAN_VanDale.jpg
Tot slot zijn er ook combinaties van deze bewegingen mogelijk: een gebaar kan bijvoorbeeld een padbeweging en handinterne beweging bevatten.

Oriëntatie
De handen hebben tijdens het gebaren een bepaalde stand en hebben hierdoor een bepaalde positie ten opzichte van de ruimte en van elkaar. De vingers kunnen bijvoorbeeld recht naar voren wijzen, recht naar boven, schuin naar onder, enzovoort. De handpalmen kunnen naar de gebaarder toe gedraaid zijn, kunnen naar elkaar wijzen, naar boven, enzovoort. Samen heten deze onderdelen de vinger- en palmoriëntatie. In de gebaren OOK en BROER (afbeeldingen 2 en 3) wijzen de geselecteerde vingers schuin naar boven en wijzen de handpalmen schuin naar beneden.

Non-manueel deel
Met een non-manueel deel wordt een betekenisvol element bedoeld dat niet met de handen wordt gearticuleerd. Op fonologisch niveau wordt hier meestal het mondbeeld en soms de mimiek mee bedoeld. In NGT gaan gebaren vrijwel altijd gepaard met een bepaald mondbeeld, namelijk een gesproken component of een orale component. De eerstgenoemde houdt een articulatie in van een (deel van een) Nederlands woord, het tweede een soort geluidje of mondbeweging dat niet gerelateerd is aan een Nederlands woord (Schermer 1990). Het non-manueel deel is in sommige gevallen betekenisonderscheidend. Het verandert een zin van bericht naar vraagzin, het houdt minimale paren uit elkaar.

Slotopmerkingen fonologie
Ook in gebarentalen zijn er fonologische beperkingen: sommige handvormen zijn minder makkelijk te maken dan andere handvormen en kunnen daardoor ongebruikt blijven. Ook zijn er soms culturele beperkingen: de uitgestoken middelvinger is geen frequente handvorm in de onderzochte gebarentalen. Verder zijn niet alle combinaties van bewegingen mogelijk, en dat geldt ook voor oriëntaties en locaties. Dit lijstje is uiteraard niet uitputtend, maar geeft hopelijk enigszins een beeld.

Naar boven

Morfologie


In gebarentalen zijn woordvormingsprocessen veelal simultaan in plaats van sequentieel (Aronoff e.a. 2005). Dit betekent dat (de meeste) morfemen niet als affixen aan de stam worden toegevoegd, maar dat morfemen voor een interne verandering zorgen. Enigszins vergelijkbaar hiermee is de stamverandering die optreedt als je sommige Nederlandse werkwoorden in de verleden tijd zet:

Voorbeeld 1: Nederlands (uit Pfau 2008, p. 190)
Ik loop --> ik liep
Ik win --> ik won

In één gebaar kan tegelijkertijd bijvoorbeeld worden weergegeven met hoeveel personen iets gebeurde, wat er gebeurde, hoe lang dat duurde en wanneer dit plaatsvond. In een Nederlandse gesproken zin heb je daar meerdere woorden voor nodig. In NGT vinden stamveranderingen plaats bij congruerende werkwoorden (zie hieronder 'werkwoorden'). Om dit beter te begrijpen zal eerst een en ander worden toegelicht over ruimtegebruik in gebarentalen.

Ruimtegebruik
Om de simultane processen bij werkwoordsvervoegingen beter te begrijpen moet eerst aandacht worden besteed aan ruimtegebruik. In de ruimte recht voor de gebaarder, ter hoogte van het bovenlichaam, kunnen syntactische relaties worden aangegeven. Dit gebeurt door punten in die ruimte te associëren met bepaalde personen, objecten, locaties, enzovoort. De gebaarder geeft die personen/objecten een vaste plaats in de ruimte, dit heet localiseren. Dit kan op verschillende manieren, maar een veel voorkomende manier is door eerst het gebaar voor diegene of datgene te maken en vervolgens naar een plek in de ruimte te wijzen. Die plaats is dan 'bezet' door die referent totdat er een andere referent op die plek wordt gezet. In afbeelding 6 is een schematische indeling van de syntactische ruimte te zien zoals die meestal voor personen wordt gebruikt:

Afbeelding 6: Syntactische gebarenruimte, van bovenaf gezien
localisatie.png
Schematisch staat de gebaarder altijd op de plek 'ik', als je het over jezelf hebt wijs je naar jezelf. In andere, meer taalkundige weergaven heet deze plaats altijd locatie 1. De gesprekspartner bevindt zich vaak tegenover de gebaarder, wijzen naar deze persoon kan worden vertaald met 'jij'. Theoretisch heet dit locatie 2. Vervolgens blijft er links en rechts nog ruimte over, theoretisch heten deze plaatsen 3a en 3b. Als de gebaarder iets wil vertellen over iemand, kan hij/zij eerst diens naamgebaar maken en vervolgens op plek 3a of 3b zetten door naar die plek te wijzen. Steeds als de gebaarder daarna iets over die persoon wilt zeggen, hoeft hij/zij alleen nog maar naar die plek te wijzen, hetgeen dus vertaald kan worden met hij/zij (geslacht wordt niet gemarkeerd). Het naamgebaar is dan niet meer nodig, de gesprekspartner onthoudt wie (of wat) op die plekken is gelocaliseerd.

Deze plaatsen worden niet alleen gebruikt voor personen, maar ook voor dingen, dieren, steden, enzovoort. Door te localiseren kunnen er ook verbanden tussen locaties worden weergegeven, bijvoorbeeld met locatieve werkwoorden of directionele werkwoorden (zie hieronder 'werkwoorden').

Werkwoorden
Er zijn drie typen werkwoorden in NGT: niet-congruerende werkwoorden, locatieve werkwoorden en directionele werkwoorden (Bos 1993; Schermer & Koolhof (red.) 2009). De meeste werkwoorden behoren tot de eerste groep, ze congrueren dus niet met het subject of object. Om de syntactische rollen toch duidelijk te maken wordt in aanvulling daarop vaak het hulpwerkwoord OP gebruikt (zie hieronder), daarnaast speelt zinsvolgorde een rol.
Locatieve werkwoorden zijn werkwoorden die op een andere plaats worden gebaard dan de plaats van de basisvorm. Er is dan congruentie met één zinsdeel (het onderwerp, het lijdend voorwerp of een bijwoordelijke bepaling) (Nijen Twilhaar 2009). Het gebaar AANWEZIG wordt bijvoorbeeld in de basisvorm midden voor het lichaam gebaard:

Afbeelding 7: AANWEZIG
(© Nederlands Gebarencentrum)
AANWEZIG_VanDale.jpg

AANWEZIG kan echter ook op andere plaatsen worden gebaard, zoals in voorbeeld 2:

Voorbeeld 2: NGT
SASKIA HUIS-3a AANWEZIG-3a
'Saskia is in het huis aanwezig'

In voorbeeld 2 is het zelfstandig naamwoord HUIS direct op locatie 3a gebaard en hierdoor gelocaliseerd. Hierna kan het gebaar AANWEZIG ook op die locatie worden gebaard.
Directionele werkwoorden kunnen meestal met subject en object congrueren. Deze congruentie wordt geuit door de beweging in het gebaar en/of door oriëntatieverandering. Bij de meeste directionele gebaren (bijv. VRAGEN, GAAN, ROEPEN, BEZOEKEN) begint de beweging van het gebaar bij het subject en eindigt het bij het object. In de afbeeldingen 8 en 9 is het verschil te zien tussen ROEPEN in de basisvorm (links) en ROEPEN in vervoegde vorm (rechts, ‘hij/zij roept hem/haar’).

Afbeelding 8: ROEPEN 'Ik roep hem' ; afbeelding 9: 3a-ROEPEN-3b 'Hij roept hem'.
(© Nederlands Gebarencentrum)

ROEPEN_VanDale.jpgROEPEN vervoegd goed.jpg
Er zijn ook directionele werkwoorden die bij het object beginnen en bij het subject eindigen, dit zijn gebaren zoals OPHALEN en KIEZEN.

Tijd wordt in NGT niet op het werkwoord gemarkeerd, er worden aparte lexicale gebaren gebruikt om verleden tijd of toekomstige tijd aan te geven:

Voorbeeld 3: NGT
GISTER SASKIA HUIS-3a AANWEZIG-3a
'Gister was Saskia in het huis aanwezig'

Hulpwerkwoord
In NGT bestaat het gebaar 'HEBBEN', maar dit wordt niet gebruikt als hulpwerkwoord. Het dient alleen als werkwoord om het bezit van iets aan te duiden. NGT kent wel een ander hulpwerkwoord, namelijk 'OP' (Cokart 2013). Dit hulpwerkwoord kan gebruikt worden om de syntactische relaties duidelijk te maken en kan met subject en object congrueren.

Afbeelding 10: Hulpwerkwoord OP
(© Nederlands Gebarencentrum)
OP hulpwerkwoord_VanDale.jpg
Meervoud in werkwoorden
Meervoud kan worden gemarkeerd op het werkwoord, maar alleen voor object: lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp. Als het subject meerdere personen betreft, wordt dit lexicaal aangegeven. Om in het werkwoord aan te geven dat het object, lijdend voorwerp of meewerkend voorwerp uit meerdere personen bestaat, kunnen directionele en locatieve werkwoorden worden herhaald. Dit uit zich in reduplicatie van het gebaar, of in een aanpassing van de beweging van het gebaar (Harder 2003). Zoals hierboven is uitgelegd, kunnen bepaalde punten in de syntactische ruimte met bepaalde personen/objecten worden geassocieerd. Als er meervoud wordt gebruikt, wordt er niet één specifiek punt aangewezen om naar deze personen/objecten te refereren, maar wordt er een soort boogbeweging gebruikt die een groter gebied aanwijst. Bij markering van meervoud op het werkwoord kan deze boogbeweging terugkomen in de beweging van bepaalde directionele werkwoorden.

Meervoud kan ook worden aangegeven met behulp van classifiers. Volgens Nijen Twilhaar (2009) is een classifier "een handvorm, die samen met een plaats, oriëntatie en beweging een werkwoord vormt: een werkwoord van locatie of beweging. De classifierhand is in dit soort werkwoorden een gebonden morfeem dat bepaalde vorm- of betekeniseigenschappen van een naamwoord weerspiegelt." Een C-hand (zie afbeelding 1) kan bijvoorbeeld als classifierhand dienen voor ronde objecten zoals glazen en dunne vazen, een B1-hand voor platte, vierkante objecten zoals boeken en papieren. Het zelfstandig naamwoord PAPIER kan meervoud uitdrukken door middel van reduplicatie van een classifier. Doordat deze classifier in de ruimte geplaatst moet worden, geeft dit een werkwoord van locatie weer. Een vertaling in het Nederlands die hier bij in de buurt komt zou zijn 'de papieren liggen daar' of 'de papieren zijn daar'.

Meervoud in zelfstandig naamwoorden
Bij veel zelfstandig naamwoorden kan meervoud worden aangegeven door middel van reduplicatie (Harder 2003). Reduplicatie houdt meestal een complete herhaling van het gebaar in. Soms gebeurt dit op precies dezelfde manier, zoals bij het gebaar BOEK. Als er 'boeken' wordt bedoeld, kan dat worden gebaard door het gebaar BOEK op precies dezelfde manier te herhalen. In het geval van KIND gaat meervoudsmarkering iets anders, hierbij wordt het gebaar zijwaarts herhaald om aan te geven dat het meerdere kinderen betreft. In het miniwoordenboek op het Nederlands Gebarencentrum zijn bij het gebaar KIND twee voorbeeldzinnen te zien, waarbij in de ene zin het enkelvoud te zien is en in de andere zin het meervoud. Verder kan een gebaar ook locatief worden herhaald, zodat iedere herhaling op een iets andere locatie wordt gebaard.

Behalve reduplicatie kan meervoud bij sommige gebaren worden aangegeven door middel van getalincorporatie. Het gebaar EEN-UUR-LANG wordt bijvoorbeeld met één vinger gemaakt, het gebaar TWEE-UUR-LANG met twee vingers, enzovoort (tot en met TIEN-UUR-LANG).
Tot slot kan meervoud worden aangegeven door niet het hele gebaar te herhalen, maar wel een bijbehorende classifier te herhalen. Officieel hoort het gebruik van classifiers echter niet onder het kopje 'zelfstandig naamwoorden', omdat aan classifiers in NGT altijd een werkwoord ten grondslag ligt. Zie daarom hierboven bij 'meervoud in werkwoorden'.

Slotopmerkingen morfologie
Samenvattend moet bij tweetalige kinderen rekening worden gehouden met de volgende zaken:
- NGT kent geen markering van geslacht;
- NGT markeert geen tijd op de werkwoorden, wellicht dat tweetalige kinderen dit in het Nederlands weglaten;
- NGT maakt bij werkwoordscongruentie gebruik van interne, simultane veranderingen in plaats van suffixen, wellicht dat kinderen de suffixen in het Nederlands weglaten of verkeerd toepassen;
- NGT kent andere hulpwerkwoorden: HEBBEN is geen hulpwerkwoord en OP wel, misschien zullen ze dit door elkaar halen;
- Meervoud van werkwoorden wordt aangegeven door een interne verandering (verandering van beweging) of door reduplicatie (evt. met behulp van classifiers);
- Meervoud van zelfstandig naamwoorden wordt aangegeven door reduplicatie of incorporatie, wellicht dat kinderen dit toepassen op het Nederlands.


Naar boven

Syntaxis


Woordvolgorde
De basisvolgorde van neutrale zinnen in NGT is subject-object-werkwoord (SOV). Je gebaart dus: 'Jan een koekje eet' in plaats van 'Jan eet een koekje'. Verder gelden de volgende kenmerken:
* NGT is een pro-drop taal (Bos 1993), dit betekent dat sommige grammaticale rollen niet expliciet genoemd hoeven te worden als die al duidelijk worden uit de context (bijv. uit de werkwoordscongruentie). In NGT geldt dit voor het subject en object, al komt het weglaten van het object vaker voor.
* Er kan van de basisvolgorde afgeweken worden, met name in zinnen waarin de rollen niet andersom op te vatten zijn (Pfau & Bos 2008). Een andere veelvoorkomende zinsvolgorde is SVO, wellicht is dit invloed vanuit het Nederlands.
* In NGT kan topicalisatie plaatsvinden (Crasborn e.a. 2009). Dit betekent dat een zinselement vooraan in de zin wordt genoemd, om aan te geven dat de rest van de zin hierover gaat. Dit kan dus invloed hebben op de zinsvolgorde.
* Tijdsgebaren staan meestal vooraan in de zin.

Vraagzinnen
In het Nederlands verandert de zinsvolgorde als er van een neutrale zin een ja/nee-vraag wordt gemaakt. In de meeste (onderzochte) gebarentalen gebeurt dit echter niet, ook niet in NGT. Er wordt bij ja/nee-vragen gebruik gemaakt van de mimiek. Opgetrokken wenkbrauwen laten een gesprekspartner zien dat het gaat om een vraag. Open vragen worden gemarkeerd met opgetrokken of gefronste wenkbrauwen, dit is afhankelijk van de context. Daarnaast wordt er een vraagwoord (WIE, WAT, WAAR, enzovoort) gebaard. Het vraagwoordgebaar verschijnt aan het einde van de zin. Je vraagt dus: 'Jij doet wat?', 'Jij woont waar?' en 'Jouw naam is hoe?' in plaats van 'Wat doe je?', 'Waar woon je?' en 'Hoe is je naam?'.

Bevestiging en ontkenning
Bevestigende zinnen worden gemaakt door met het hoofd 'ja' te knikken. Dit doet men de hele zin door, niet slechts bij één gebaar. Ontkennende zinnen worden gemarkeerd door met het hoofd 'nee' te schudden, ook de hele zin door. Er zijn ook gebaren die ontkenning aangeven maar die zijn niet verplicht, de non-manuele markering is dat wel.

Slotopmerkingen (syntaxis)
Waar gebarentaalgebruikers met name moeite mee kunnen hebben in het Nederlands is de zinsvolgorde. De basisvolgorde in NGT is anders, tevens maakt NGT veel gebruik van topicalisatie en pro-drop. Daarbij staat in het Nederlands het vraagwoord altijd vooraan, in NGT meestal achteraan.

Naar boven

Pragmatiek


In NGT kan men beleefdheid uitdrukken in de algehele houding en in de gebaren. Het algemene wijsgebaar (waarmee ook naar personen wordt verwezen) wordt normaal met de wijsvinger gemaakt maar kan in een beleefde vorm ook met de hele hand worden gearticuleerd. Verder kunnen het tempo van het gebaren, de omvang van de gebaren en de expressie invloed hebben op de pragmatische gepastheid (Baker & van den Bogaerde 2008).

Er zijn een paar culturele verschillen in de omgang en gesprekken tussen dove gebaarders en horende sprekers. Ten eerste kunnen 'luisteraars' in gebarentaal niet makkelijk wegkijken van hun gesprekspartner. Oogcontact betekent dat iemand misschien iets wil zeggen, voor horende gebaarders is het soms wennen hoe dat werkt. Ten tweede kan men expliciet elkaars aandacht trekken of onderbreken door te zwaaien of met de hand te wapperen in iemands gezichtsveld. De gebaarder kan dan de beurt weggeven of nog even verder gebaren. Meer subtiele vormen van beurtwisseling worden gemarkeerd door het laten zakken (of juist optillen) van de armen, oogcontact maken of verbreken, de stand van het hoofd veranderen en het gebarentempo veranderen (Baker & van den Bogaerde 2008).

Het verschilt per gebarentaal hoe snel gebaarders op elkaar inhaken: de beurtwisseling in NGT schijnt vrij snel te zijn, maar hier is nog nauwelijks onderzoek naar gedaan.

3. Taalverwerving


Er is niet veel onderzoek gedaan naar de exacte verwervingsvolgorde in NGT, maar over het algemeen lijkt gebarentaalverwerving redelijk op de verwerving zoals die is beschreven in het algemene schema.
Hieronder staan in de eerste kolom van tabel 1 de meeste hierboven besproken taalelementen. In de middelste kolom staat in welke periode van de taalverwerving kinderen hiermee beginnen en daarna volgen nog enkele toelichtingen.

Tabel 1: Taalverwerving (gebaseerd op Baker e.a. 2008).
Onderdeel
Verwerving
Opmerkingen
Fonologisch systeem
Vroeglinguale periode
Fonologische simplificatie (zie hieronder); verder worden 'gemarkeerde handvormen' (moeilijkere handvormen, bijv. de K-hand) later verworven dan
ongemarkeerde handvormen (bijv. de C-hand of 5-hand, zie ook afbeelding 1).
Woordenschat
Start met eenwoordfase, tweewoordfase, etc.
Tweetalige kinderen hebben meestal een kleinere woordenschat per taal
Aandachtsstrategieën, belang van oogcontact
Vroeglinguale periode (rond de 2 jaar)
Kinderen kijken spontaan op om te zien of er wordt gebaard
Ontkenning, bevestiging, vragen
Differentiatiefase
Non-manuele markering en manuele markering wisselen elkaar af (zie hieronder)
Werkwoordscongruentie
Differentiatiefase
Overregularisatie (zie hieronder)
Syntactisch ruimtegebruik en localisatie
Differentiatiefase
“Stacking” (zie hieronder)
Pragmatische vaardigheden
Differentiatiefase

Fonologische simplificatie: Twee processen die voorkomen in de gebarentaal van jonge kinderen zijn proximalisatie (het articuleren van een gebaar door een lichaamsdeel dichterbij het lichaam) en substitutie (bijv. het vervangen van moeilijkere handvormen door makkelijkere handvormen). Dit is belangrijk bij een taalanalyse: een tolk moet op de hoogte zijn van de kindergebaren. Veel gebaren zijn te moeilijk voor kinderen om te maken, en er bestaat dan een aparte versie van het gebaar. Dit dient niet fout te worden gerekend door de tolk.

Non-manuele markeerders: Meestal worden de syntactische non-manuele markeerders al vrij snel correct toegepast. Hierna worden manuele markeringen (zoals het gebaar NIET voor ontkenning) verworven en stoppen kinderen een tijdje met de non-manuele markeerders. Hierna passen ze beiden correct toe.

Overregularisatie: Kinderen in de differentiatiefase leren grammaticale regels die ze vervolgens 'te breed' zullen toepassen. Ze zullen bijvoorbeeld werkwoorden gaan vervoegen die eigenlijk niet vervoegd kunnen worden in NGT. Meestal verdwijnt dit in de voltooiingsfase.

Stacking: Het localiseren gaat niet direct foutloos. Kinderen kunnen bijvoorbeeld meerdere referenten op dezelfde locatie plaatsen, waardoor niet duidelijk is waar ze naar refereren. Dit is te vergelijken met een kind dat vertelt over meerdere mannen en steeds ‘hij’ gebruikt zonder specifieker te zijn welke ‘hij’ wordt bedoeld (Baker e.a. 2008).

Slotopmerkingen (taalverwerving)
Er moet rekening mee worden gehouden dat de taalsituatie voor dove kinderen anders is dan voor horende kinderen, en dat de situatie ook per gezin verschilt: zijn de ouders moedertaalgebaarders, of zijn zij tweedetaalverwerves? Hoeveel aanbod krijgen de kinderen daarnaast nog in het Nederlands? Horende kinderen van dove ouders zullen vrijwel altijd tweetalig opgroeien omdat zij van andere familieleden of in de omgeving Nederlands zullen horen. Dove kinderen leren het Nederlands meestal pas later, maar ook hierin is veel variatie gevonden, mede door het gebruiken van gehoorapparaten en/of cochleair implantaten. Ook lijkt het erop dat Nederlandse dove ouders vaker "code-blending" (het mixen van talen, in dit geval Nederlands en NGT) toepassen bij horende kinderen dan bij dove kinderen (Baker & van den Bogaerde 2006), hierdoor is het taalaanbod dus ook anders. Bovenstaand schema is gebaseerd op onderzoek naar eerstetaalverwerving van dove en horende kinderen van moedertaalgebaarders.

Naar boven

4. TOS in gebarentalen


De definitie van TOS suggereert dat TOS officieel niet voor kan komen bij dove kinderen (er mag immers geen sprake zijn van een gehoorbeperking wanneer er sprake is van TOS). Voor dove kinderen is gebarentaal echter de moedertaal en is het doof-zijn inherent aan de situatie. Logischerwijs kan worden verwacht dat een vergelijkbaar percentage (7 procent) van de dove kinderen een TOS heeft (Downs 1995, in: Marshall, Denmark & Morgan, 2006).
Vaak wordt hier de term 'specifieke gebarenstoornis' voor gebruikt. Een TOS bij dove/slechthorende kinderen heeft dezelfde kenmerken als een TOS in gesproken taal: grammaticale problemen, een kleinere (gebaren)woordenschat, gebaarvindingsproblemen en bijvoorbeeld een slechtere 'articulatie' van de gebaren. Morgan, Herman & Woll (2006) beschrijven een kind dat is opgegroeid met Britse Gebarentaal (BSL) en ernstige begrips- en productieproblemen heeft met morfosyntactische taalelementen. Recenter is bij een grotere groep kinderen aangetoond dat er sprake kan zijn van TOS in BSL (Mason e.a. 2010) en dezelfde vermoedens zijn uitgesproken over kinderen opgegroeid met ASL (Amerikaanse Gebarentaal) (Quinto-Pozos e.a. 2011).

In NGT is er nog niet veel onderzoek gedaan naar taalstoornissen. Wel heeft Pijnacker (2011) in haar masterscriptie een doof meisje met mogelijke taalproblemen beschreven maar zij kon niet concluderen dat het inderdaad om TOS ging. Wat in al deze onderzoeken wordt benadrukt is dat er nog te weinig kennis is over stoornissen in gebarentalen en dat er nog te weinig middelen zijn om ze te kunnen diagnosticeren. Daarom heeft Klomp (2015) voor haar masterthesis onderzoek gedaan naar de relatie tussen een non-woord repetitietaak (NWR) en een door haar ontwikkelde non-gebaar repetitietaak (NGR). Vaak wordt er bij kinderen met een vermoeden van TOS o.a. gebruik gemaakt van een NWR-taak in het diagnostisch proces. Kinderen moeten in deze test naar niet-bestaande woorden luisteren en deze woorden herhalen. Kinderen met een TOS hebben hier meer moeite mee en maken hier meer fouten in dan normaal-ontwikkelde kinderen. Klomp heeft voor haar masterthesis een Nederlands NWR en een NGR ontwikkeld en afgenomen bij NGT-sprekende kinderen van dove ouders. Uit haar onderzoek blijkt dat de NWR en NGR dezelfde processen meten. Om de taken daadwerkelijk in te kunnen zetten in een diagnostisch proces, moet meer onderzoek gedaan worden onder een grotere groep kinderen/volwassenen, liefst bij zowel dove als horende NGT-sprekers. Momenteel (2017) werkt Klomp aan de UvA aan een promotie-onderzoek op dat terrein.

Horende kinderen die NGT spreken, kunnen uiteraard wel een TOS hebben; aangezien zij geen gehoorbeperking hebben. Een kenmerk van TOS is officieel zelfs dat er problemen zijn met taal in alle modaliteiten. Een kind met TOS zou dus niet alleen in het Nederlands problemen moeten vertonen, maar ook in NGT wil het een echte TOS zijn. Het kind zal wellicht fouten vertonen in het maken van de gebaren door bijvoorbeeld één van de vijf basiselementen steeds verkeerd te doen (het gebaar op de juiste plek maar met de verkeerde oriëntatie), het zal een kleinere woordenschat kunnen hebben, en ook gebaarvindings- en begripsproblemen kunnen voorkomen.

5. Literatuur en verder lezen


Hieronder staat de literatuur die gebruikt is en meer, voor geïnteresseerden.

- Aronoff, M., Meir, I. & Sandler, W. (2005). The paradox of sign language morphology. Language, 81(2), 301-344.
- Baker, A., & Van den Bogaerde, B. (2008). Codemixing in signs and words in input to and output from children. Sign bilingualism: Language development, interaction, and maintenance in sign language contact situations. John Benjamins Publishing Co., 1-27.
- Baker, A. & van den Bogaerde, B. (2008). Interactie en discourse. In: Baker, A. e.a. (red.) Gebarentaalwetenschap. Een inleiding. Deventer: Van Tricht, 83 - 98
- Baker, A., van den Bogaerde, B. & Jansma, S. (2008) Gebarentaalverwerving. In: Baker, A. e.a. (red.) Gebarentaalwetenschap. Een inleiding. Deventer: Van Tricht, 63-82.
- Bos, H. (1993). Agreement and prodrop in Sign Language of the Netherlands. Linguistics in the Netherlands, 10(1), 37-47.
- Brentari, D. (2002). Modality differences in sign language phonolgy and morphophonemics. In R.P.Meier, K. Cormier, D. Quinto-Pozos (Eds.). Modality and structure in signed and spoken languages.
- Cokart, R. (2013). The auxiliary verb AUX-OP in Sign Language of the Netherlands (NGT). Patterns of use in Deaf NGT signers and NGT-Dutch interpreters. MA thesis, University of Amsterdam.
- Crasborn, O. (2001). Phonetic implementation of phonological categories in Sign Language of the Netherlands. Utrecht: LOT dissertation series.
- Crasborn, O., van der Kooij, E., Ros, J. & de Hoop, H. (2009). Topic agreement in NGT (Sign Language of the Netherlands). The Linguistic Review, 26(2-3), 355-370.
- Fortgens, C. (1991). Geschiedenis: gebarentaal en dovenonderwijs. In: Schermer, T. e.a. (red.) De Nederlandse Gebarentaal. Twello: Van Tricht, 195-225.
- Harder, R., Koolhof, C. & Schermer, T. (2003). Meervoud in de NGT. Verslag van een onderzoek in het kader van OCW subsidie 2003. Bunnik: Nederlands Gebarencentrum.
- Herman, R., Rowley, K., Marshall, C., Mason, K., Atkinson, J., Woll, B., & Morgan, G. (2014). Profiling SLI in Deaf children who are sign language users. Multilingual Aspects of Signed Language Communication and Disorder, 11, 45.
- Klomp, U. (2015). Making sense of a nonsense sign repetition task (MA thesis). Vrije Universiteit.
- Marshall, C.R., Denmark, T., & Morgan,G. (2006). Investigating the underlying causes of SLI; A non-sign repetition test in Britisch Sign Language. International Journal of Speech-Language Pathology, 8(4), 347-355.
- Morgan, G., Herman, R., & Woll, B. (2007). Language impairments in sign language: breakthroughs and puzzles. International Journal of Language & Communication Disorders, 42(1), 97-105.
- Nijen Twilhaar, N. (2009). Lexicon van de Gebarentaalwetenschap. Deventer: Van Tricht.
- Pijnacker, L. (2011). Sign Language and Specific Language Impairment (SLI).MA thesis, University of Amsterdam.
- Pfau, R. (2008). Woordvorming. In: Baker, A. e.a. (red.) Gebarentaalwetenschap. Een inleiding. Deventer: Van Tricht, 188-213.
- Pfau, R. & Bos, H. (2008). Enkelvoudige zinnen. In: Baker, A. e.a. (red.) Gebarentaalwetenschap. Een inleiding. Deventer: Van Tricht, 120-144.
- Pfau, R. & Steinbach, M. (2006). Pluralization in sign and in speech: A cross-modal typological study. Linguistic Typology, 10(2), 135-182.
- Quinto-Pozos, D., Forber-Pratt, A. J., & Singleton, J. L. (2011). Do developmental communication disorders exist in the signed modality? Perspectives from professionals. Language, Speech, and Hearing Services in Schools, 42(4), 423-443.
- Schermer, G.M. (1990). In search of a Language. Influences from spoken Dutch on Sign Language of the Netherlands. Delf/Eburon.
- Schermer, G.M. & Koolhof, C. (red.) (2009). Van Dale Basiswoordenboek Nederlandse Gebarentaal. Utrecht / Antwerpen: Van Dale uitgevers, Bunnik: Nederlands Gebarencentrum.
- Schermer, G.M. & Pfau, R. (2008). Taalverandering en taalcontact. In: Baker, A. e.a. (red.) Gebarentaalwetenschap. Een inleiding. Deventer: Van Tricht, 275-292.
- van der Kooij, E. (2002). Phonological Categories in Sign Language of the Netherlands. The Role of Phonetic Implementation and Iconicity. Utrecht: LOT dissertation series.
- van der Kooij, E. & Crasborn, O. (2008). Fonologie. In: Baker, A. e.a. (red.) Gebarentaalwetenschap. Een inleiding. Deventer: Van Tricht, 233-256.

Naar boven
Sindsdien heeft de NGT zich verder ontwikkeld en kreeg elke dovenschool in Nederland eigen lexicale variatie. Groningse doven telden anders dan doven uit Voorburg; doven uit Michielsgestel gebruikten andere gebaren dan doven uit Amsterdam. Om aan te vragen dat NGT als erkende taal erkend zou worden in Nederland, moest er een standaardisatieproces plaats gaan vinden van de overheid. Er werd een standaardlexicon ontwikkeld, al worden er nog steeds geringe regionale verschillen gezien. De taal is tot op de dag van vandaag helaas nog niet erkend als taal, tot teleurstelling van velen doven.